Vraagt vertrouwen op God om gebed of actie?

Gelovigen kunnen tot verschillende conclusies te komen als het gaat om wat het betekent om God te vertrouwen. Betekent vertrouwen op God afwachten tot God handelt? Of betekent het zelf actie ondernemen?

De boeken Ezra en Nehemia doen verslag van de geschiedenis van Israel in de eeuw na de Babylonische ballingschap. Uit het boek Nehemia is op te maken dat Nehemia een vrij pragmatische manier van geloven had. Nehemia dient in Perzie aan het hof van Artaxerxes. Hij hoort hoe erbarmelijk Juda en de tempel er aan toe zijn en vraagt in hoofdstuk 21 aan koning Artaxerxes toestemming om naar Juda af te reizen en leiding te nemen bij de herbouw van de tempel en de muren van Jeruzalem. Nehemia ervaart de toestemming van de koning als een bewijs van Gods persoonlijke zegen.

Op verschillende plaatsen vinden we aanwijzingen van Nehemia’s pragmatische manier van geloven. In Nehemia 2 bijvoorbeeld, zien we dat hij eerst in het geheim de puinhopen van de muur inspecteert, voordat hij zijn plannen aan de inwoners van Jeruzalem bekend maakt. Kennelijk wil hij weten hoe omvangrijk het werk is dat hem te wachten staat, voordat hij zijn plannen ontvouwt. Als hij zijn plannen heeft uitgelegd en heeft gewezen op de genadige hand van God, zijn er toch een paar lokale functionarissen die hem uitlachen en beschimpen. Nehemia dient hun van repliek: “Het is de God van de hemel die ons doet slagen” (Nehemia 2:20). Het succes dat God inderdaad geeft, heeft voor een deel te maken met Nehemia’s goede voorbereiding en zijn gelovige leiderschap. Het feit dat God de plannen laat slagen wil niet zeggen dat Nehemia rustig achterover kan leunen. In tegendeel: hij maakt zich op voor een zware en veeleisende taak.

Dan begint de tegenstand, net als in de geschiedenis van de herbouw van de tempel onder Ezra. Leiders van enkele lokale groepen proberen de Joden van de wijs te brengen door hun werk belachelijk te maken. Als hun woorden de bouw van de muur niet stoppen, komen ze samen om Jeruzalem aan te vallen en verwarring te zaaien.

Hoe gaat Nehemia zijn mensen in deze situatie voor? Zegt hij hun te bidden en op God te vertrouwen? Of zegt hij hun zich te bewapenen voor de strijd? Zoals te verwachten was van de gelovige pragmaticus Nehemia, doet hij beide: “Wij baden tot onze God, en met het oog op hun plannen zetten we wachten uit om hen dag en nacht in de gaten te houden” (Nehemia 4:3). Wanneer de bedreigingen aan het adres van de bouwers toenemen, zet Nehemia bewakers neer op belangrijke posities. Hij zegt zijn mensen moed te houden, ondanks de vijandigheden. “’Wees niet bang voor hen, denk aan de grote en geduchte Heer en strijd voor uw volksgenoten, voor uw zonen, dochters en vrouwen, en voor uw huizen” (Nehemia 4:8). Gesterkt door hun geloof kunnen de bouwers het gevecht aan. Nehemia voegt iets verderop nog een aspect toe aan zijn bemoediging. “Onze God zal voor ons strijden” (Neh 4:14). Dat is geen aanmoediging om de wapens neer te leggen en alles te verwachten van de bovennatuurlijke bescherming van God. Eerder is het zo dat God stand by is als ondersteuner van de mensen van Nehemia. Hij werkt in en door het werk van mensen.

Christenen doen soms alsof er een ondoordringbare muur staat tussen actief zijn en initiatief nemen enerzijds en passief wachten op het handelend optreden van God zelf anderzijds. We zijn ons ervan bewust dat deze tegenstelling onjuist is. Toch lijkt het soms zo aanlokkelijk om te wachten op het ingrijpen van God. Maar bij geloof hoort actie. Wanneer je werkloos bent, dan is het zeker Gods wil dat je werk vindt. Om een baan te vinden zul je een cv moeten maken, op zoek moeten naar vacatures, moeten solliciteren, op gesprek moeten gaan en tientallen keren afgewezen moeten worden – net als ieder ander. Als je kinderen hebt, is het zeker Gods wil dat je plezier hebt in de opvoeding. Maar je zult nog steeds grenzen moeten stellen, beschikbaar moeten zijn op momenten dat het je niet uitkomt, ongemakkelijke onderwerpen moeten bespreken en moeten huilen met je kinderen om schrammen, gebroken ledematen en gebroken harten. Je moet huiswerk met hen maken, vergeving vragen als je ernaast zit en vergeving schenken als zij over de schreef gaan. En je krijgt geen beloning als je het goed hebt gedaan als ouder, bijvoorbeeld als je je kinderen mee hebt gekregen naar de kerk. Nehemia en zijn bouwers laten ons zien dat godsvertrouwen niet hetzelfde is als op je handen gaan zitten en wachten op het wonder dat onze problemen oplost. Nehemia laat zien dat je in vertrouwen en gebed zelf ook moet nadenken en actie ondernemen.

Voetnoten

  1. NEHEMIA 2 2:1Het was in de maand nisan, in het twintigste regeringsjaar van Artaxerxes. De wijn stond op tafel. Ik nam de wijn en bood die de koning aan. Nooit had hij iets op me aan te merken gehad, 2maar nu zei hij: “Waarom kijk je zo somber, je bent toch niet ziek? Er is vast iets dat je dwarszit.” Ik schrok hevig 3en zei: “Majesteit, leef in eeuwigheid! Hoe zou ik niet somber zijn als de stad waar mijn voorouders begraven zijn, is verwoest en haar poorten in vlammen zijn opgegaan?” 4“Wat is dan je wens?” vroeg de koning. Ik bad tot de God van de hemel, 5en antwoordde de koning: “Als het de koning goeddunkt, en als u het mij, uw dienaar, toestaat, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen waar mijn voorouders begraven liggen.” 6De koning – met zijn lievelingsvrouw aan zijn zijde – wilde weten hoe lang mijn reis zou duren en wanneer ik terug zou keren. Nadat ik de koning een tijdstip had genoemd, willigde hij mijn verzoek om te vertrekken in. 7“En als het de koning goeddunkt,” zo zei ik, “laat men mij dan brieven meegeven voor de gouverneurs van de provincie Trans-Eufraat, opdat zij mij doorgang verlenen tot aan Juda.” 8Ook verzocht ik om een brief voor Asaf, het hoofd van de koninklijke houtvesterijen, om mij hout te leveren voor de balken van de poorten van de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor de woning waarin ik mijn intrek zou nemen. Omdat mijn God mij bescherming bood, gaf de koning mij de verlangde brieven. 9Toen ik bij de gouverneurs van de provincie Trans-Eufraat aankwam, overhandigde ik hun de brieven van de koning. De koning had mij een escorte van officieren en ruiters meegegeven. 10Toen Sanballat uit Bet-Choron en Tobia, zijn Ammonitische dienaar, hoorden dat er iemand was gekomen die het welzijn van de Israëlieten wilde bevorderen, waren ze hierover zeer ontstemd. 11Zo kwam ik in Jeruzalem aan. Na drie dagen 12trok ik er met enkele mannen in de nacht op uit. Ik had niemand verteld welke plannen mijn God mij voor Jeruzalem had ingegeven, en het enige dier dat ik bij me had, was het dier waarop ik reed. 13Die nacht ging ik door de Dalpoort en langs de Drakenbron naar de Mestpoort, om de neergehaalde stadsmuren en de door vuur verteerde poorten te inspecteren. 14Ik ging door naar de Bronpoort en naar de Koningsvijver, waar mijn rijdier niet verder kon. 15Daarom klom ik die nacht door het Kidrondal omhoog om de muur te inspecteren, en door de Dalpoort keerde ik terug. 16De stadsbestuurders wisten niet waar ik heen was gegaan en wat ik aan het doen was, want de Joden, of ze nu priester waren, vooraanstaand burger, bestuurder of ambtenaar, had ik nog niets verteld. 17Maar nu zei ik tegen hen: “U ziet in welke ellende wij verkeren: Jeruzalem ligt in puin en de poorten zijn in vlammen opgegaan. Laten we de stadsmuur weer opbouwen, zodat we niet langer het mikpunt van spot zijn.” 18Ik vertelde hun dat mijn God mij bescherming geboden had, en ook bracht ik de woorden van de koning over. “Laten we dan meteen met de herbouw beginnen,” zeiden ze, en ze pakten het werk voortvarend aan. 19Toen Sanballat uit Bet-Choron, Tobia, zijn Ammonitische dienaar, en de Arabier Gesem dit hoorden, begonnen zij ons uit te lachen en te beschimpen: “Wat zijn jullie hier aan het doen? Komen jullie soms tegen de koning in opstand?” 20Dit was mijn antwoord: “Het is de God van de hemel die ons doet slagen. Wij, zijn dienaren, beginnen met de herbouw. U hoort niet in Jeruzalem, u kunt er geen rechten laten gelden, hier is niets dat aan u herinnert.”