Status

10 De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. 14 Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: “Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie zijn zoals zij. 15 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan. ” 16 Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen. Marcus 10:13-16.

Er is een opvallend aspect aan Marcus’ weergave van deze gebeurtenis. Eerst vertelt hij het verhaal over de kleine kinderen die bij Jezus worden gebracht. Deze gebeurtenis koppelt hij vervolgens aan de uitspraak dat Gods koninkrijk alleen toegankelijk is voor wie kinderlijk ontvankelijk is. Wat verbindt deze twee passages met elkaar? Het draait hier waarschijnlijk niet om zekerheid, of om het vertrouwen op financiële middelen in plaats van op God. De link is eerder de kwestie status.

In de oude mediterrane samenleving hadden kinderen geen status.1 Zij hadden geen eigendommen waaraan status kon worden afgemeten. Dat zij niets bezaten, is cruciaal. De rijke jongeman had juist een overvloed aan statussymbolen en bezittingen (Marcus 10:2)2

(In Lucas’ verslag wordt hij expliciet “een hooggeplaatst persoon” genoemd, Lucas 18:18)3.  Zowel door de verknochtheid aan zijn fortuin op zich als door zijn hang naar aanzien kon hij de toegang tot Gods koninkrijk mislopen.

Op de hedendaagse werkvloer gaan status en rijkdom niet altijd hand in hand. Maar wie zowel in aanzien als in vermogen groeien door hun werk, moeten extra alert zijn. Zelfs als we erin slagen met geld om te gaan op een manier die God eert, kan het moeilijk zijn om te ontsnappen aan de valstrik van status.

Status kan voortvloeien uit werken, bijvoorbeeld bij een bepaalde universiteit, of uit het toebehoren aan een specifieke kring of milieu. Status kan samengaan met vermogen, zoals in de zakenwereld, maar ook met aanzien bijvoorbeeld bij kunstenaars, predikanten, politici, academici. Kan dit aanzien uitgroeien tot een vorm van slavernij die ons ervan weerhoudt onze positie op het spel te zetten, bijvoorbeeld door een impopulair standpunt in te nemen of door elders nuttiger werk te zoeken?

Hoewel het pijnlijk kan zijn om je werkgerelateerde status op het spel te zetten – al is het maar een beetje – om een ander te dienen, onrecht te bestrijden of je morele integriteit te behouden, is Jezus heel duidelijk in dit stukje over een kinderlijke houding als het gaat om het koninkrijk van God. Wanneer we status loslaten wordt het koninkrijk van God meer en meer zichtbaar op aarde.

‘Deze blog is afkomstig van de website www.theologyofwork.org. Ze is door het associate lectoraat Christelijke Professie vertaald en vervolgens gepopulariseerd door studenten Theologie van de CHE.’

Voetnoten

  1. Bruce Malina en Richard Rohrbaugh, Social-Science Commentary on the Synoptic Gospels (Minneapolis: Fortress, 1992) p. 238. “Children had little status within the community or family. A minor child was on a par with a slave and only after reaching maturity was he/she a free person who could inherit the family estate. The term ‘child/children’ could also be used as a serious insult (see Matthew 11:16-17).” Vertaling: “Kinderen hadden weinig status binnen de gemeenschap of familie. Een minderjarig kind had dezelfde positie als een slaaf. Pas na het bereiken van de volwassenheid was hij/zij een vrij persoon die het familiebezit kon erven. De term ‘kind/kinderen’ kon ook gebruikt worden als een grove belediging (zie Matteüs 11:16-17: 16 Waarmee zal ik mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: 17 “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.”).”
  2. MARCUS 10:22 (NBV)22 Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
  3. LUCAS 18:18 (NBV) 18 Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: “Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?”