“Leg over een ander geen vals getuigenis af”

Exodus 20:16, Deuteronomium 5:20

Het negende gebod stimuleert het recht van een ieder om in zijn of haar waarde te worden gelaten. Dit wordt specifiek toegepast in juridische procedures van zaken waarin dat wat men zegt wordt neergezet als waarheid. Die waarheid bepaalt vervolgens welke sanctie er volgt. Rechterlijke uitspraken en andere juridische procedures bezitten verstrekkende macht. Manipulatie ondermijnt de ethische, maatschappelijke structuur en is daarom een grote zonde. Walter Brueggemann stelt dat dit gebod erkent “dat gemeenschapsleven niet mogelijk is tenzij daar een platform is in welke het publiek vertrouwen heeft dat de maatschappelijke werkelijkheid op een betrouwbare wijze zal worden beschreven en vastgelegd”.

Hoewel het negende gebod op een juridische manier wordt verwoord is het gebod ook toepasbaar in verschillende alledaagse situaties. We moeten nooit iets zeggen of doen dat een ander in een verkeerd daglicht stelt. Nogmaals geeft Brueggemann ons inzicht:

Politici proberen met negatieve campagnevoering elkaar kapot te maken; columnisten in roddelbladen voeden kwaadsprekerij; en in de huiskamers van christenen worden onder het genot van een kopje koffie reputaties besmeurd of vernietigd. Deze de facto rechtszittingen worden uitgevoerd zonder de juiste wettelijke procedures. Beschuldigingen worden geuit; het is toegestaan geruchten te verspreiden; achterklap, meineed en  lasterlijke opmerkingen worden zonder tegenwerping verkondigd. Geen bewijs, geen verdediging. Wij moeten als christenen weigeren deel te nemen aan, of het dulden van elke conversatie waarin wordt beschimpt of beschuldigd zonder dat de persoon in kwestie erbij is om zichzelf te verdedigen. Het is fout geruchten te verspreiden, zelfs als gebedspunt of vanuit pastorale zorg. Christenen dienen dit soort geruchten en degenen die ze verspreiden een halt toe te roepen. Niet meedoen aan deze praktijken is niet voldoende.  (Brueggemann, 1994)

Dit houdt vervolgens in dat roddel op het werk een ernstige misstap is. Soms beperkt het zich tot persoonlijke zaken, wat al erg genoeg is. Maar wat te denken als de ene collega de reputatie van een andere collega besmeurt? Is het werkelijk mogelijk om de waarheid over een persoon te vertellen wanneer deze er niet bij is om voor zichzelf te spreken? En wat te denken van functionerings- en beoordelingsgesprekken? Hoe kan men waarborgen dat deze beoordelingen eerlijk en zorgvuldig zijn?

In een breder verband opereert de wereld van marketing en reclame in de ruimte tussen organisaties en individuen. Het is de vraag in hoeverre men enerzijds de eigen producten en diensten van de beste kant mag laten zien en anderzijds de zwakke kanten van de concurrent zonder onderbouwing toont. Is het mogelijk dat de rechten van “de ander” tevens de rechten van andere organisaties omvat? De reikwijdte van onze mondiale economie wijst erop dat dit gebod inderdaad op meerdere situaties betrekking heeft.

Het gebod verbiedt specifiek kwaad spreken over iemand anders, maar het doet de vraag rijzen of we in alle omstandigheden de waarheid moeten spreken. Is het publiceren van onjuiste of misleidende jaarrekeningen een schending van het negende gebod? En wat te denken van overdreven reclameclaims, zelfs als deze de concurrenten niet onderuit haalt? Wat te denken van toezeggingen van het management die werknemers bij dreigend ontslag op het verkeerde been zetten? In een wereld waar perceptie vaak gelijk staat aan de werkelijkheid, trekt de retoriek van de overtuigingskracht zich weinig aan van de waarheid. Maar de goddelijke oorsprong van het negende gebod herinnert ons eraan dat God niet misleid kan worden. Tegelijkertijd zien wij dat misleiding in de bijbel soms plaatsvindt, wordt geaccepteerd en zelfs wordt goedgekeurd. Het is dus niet helemaal zwart-wit te stellen, maar het negende gebod mag ons wel sterk aansporen om zeer terughoudend te zijn in het delen van informatie over de ander zonder dat hij/zij er bij is.

‘Deze blog is afkomstig van de website www.theologyofwork.org. Ze is door het associate lectoraat Christelijke Professie vertaald en vervolgens gepopulariseerd door studenten Theologie van de CHE.’