De rechtvaardige geeft de schuldenaar zijn onderpand terug

5 Stel, iemand is rechtvaardig. Hij is mij trouw en doet het goede. 6 Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij onteert de vrouw van een ander niet, hij maakt haar niet onrein, en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7 hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8 hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9 hij houdt zich aan mijn geboden en leeft werkelijk naar mijn voorschriften. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven – spreekt God, de HEER.
Ezechiël 18:5-9

‘Hij geeft de schuldige zijn onderpand terug’ (vers 7). Het principe in dit vers brengt de zonde van uitbuiting (Hebreeuws: ‘daka’) in verband met het specifieke geval van een onderpand dat niet teruggegeven wordt. Om dit goed te begrijpen, kijken we eerst naar de Israëlitische wetten die gaan over lenen. De Anchor Yale Bible Dictionary zegt dat de Hebreeuwse Bijbel ruiterlijk erkent dat het nodig kan zijn om te lenen. Tegelijk wil de Bijbel mensen ervan weerhouden om rente te eisen van hun schuldenaren. De rente op leningen kon in het oude Midden-Oosten exorbitant hoog zijn. Uit de aanbeveling om af te zien van rente spreekt dan ook vooral zorg voor de gemeenschap. God had de mensen bevrijd van slavernij. Natuurlijk kon het gebeuren dat een broeder krap zat en geld moest lenen, maar het vorderen van rente was niet in overeenstemming met de wil van de HEER. Rente leidt tot onvrijheid. Israël zou de ene vorm van onvrijheid verruilen voor de andere. Het gehele 25ste hoofdstuk van Leviticus draait om de verlossing die God brengt en die onaangetast moet blijven. Heel duidelijk wordt dit weerspiegeld in de regels voor het sabbatsjaar en het jubeljaar, in de regels voor lenen en in de regels voor betaalde arbeid. Degene die uitleent heeft recht op een onderpand maar niet op rente, en hij is niet vrij om met dat onderpand te doen wat hij wil (Exodus 22:25-271). Kennelijk mag degene die uitleent hier wel wat aan verdienen; een onderpand kan, mits netjes gebruikt, best winst of gemak opleveren. Ook mogen de Israëlieten volgens de Torah wel rente vragen van vreemdelingen (Freedman, 1996).

Moderne wetten stellen ook grenzen aan de vrijheden van de schuldeiser; die kan een onderpand niet zomaar in bezit nemen. Zo is het een hypotheekbank niet toegestaan om een bewoner uit zijn huis te zetten zolang een faillissement nog niet is uitgesproken. Als een schuldeiser dat zou doen, zou dat gezien worden als een vorm van machtsmisbruik; zoiets kan alleen als de schuldeiser de macht en de arrogantie heeft om zich aan de wet te onttrekken.

In Ezechiël 18:7 zegt God eigenlijk: Overtreed mijn wet niet door de dingen na te jagen waarvan je vindt dat ze je toekomen, ook niet als je er ogenschijnlijk goed mee wegkomt. In de huidige economie zullen schuldeisers (malafide bedrijfjes uitgezonderd) zich niet snel een onderpand toe-eigenen als dat wettelijk niet is toegestaan. Dus je zou kunnen zeggen dat hedendaagse lezers die zich netjes aan de wet houden geen boodschap hebben aan Ezechiël 18:7.

Maar wacht even. Overal waar het Oude Testament spreekt over lenen, is het uitgangspunt dat de lening wordt aangegaan voor het welzijn van de schuldenaar, niet van de schuldeiser. Je leent geld uit, met als onderpand een mantel, omdat jij geld over hebt terwijl de lener gebrek lijdt. En bij zonsondergang geef je die mantel terug, want de nacht is koud. Als schuldeiser heb je het recht om een onderpand te vragen als zekerstelling, maar niet om het onderpand te houden. Als je weet dat de schuldenaar de lening niet kan terugbetalen, moet je er niet aan beginnen, want het onderpand mag je sowieso niet voor jezelf houden.

Dit principe kunnen we direct toepassen op de hypotheekcrisis van 2008-2009. Grote financiers in de Verenigde Staten zetten leningen uit waarvan ze wisten dat miljoenen huizenbezitters de lasten waarschijnlijk niet zouden kunnen betalen. Ze gokten erop dat ze hun investering ruimschoots zouden terugverdienen wanneer, als de huisbezitters in gebreke zouden blijven, ze in een markt met stijgende woningprijzen de gefinancierde huizen met winst zouden kunnen verkopen. De hypotheken werden dan ook verstrekt zonder te letten op het inkomen van de huisbezitter; ze dienden alleen het belang van de geldschieters. Dat was althans de bedoeling. In werkelijkheid kwamen er zoveel woningen op de markt dat de prijzen fors daalden, waardoor de geldschieters alsnog verlies leden. Zo werd het moderne hypotheeksysteem een perfecte illustratie van Ezechiël 18:12-132. Het banksysteem had zijn eigen ondergang over zich afgeroepen.

Gods aanklacht tegen arrangementen die het belang van de zwakkere partij schaden hoeft niet beperkt te blijven tot de financiële wereld. Ezechiël 18:7-8 gaat over het lenen van geld, maar het principe geldt algemeen. Informatie achterhouden over risico’s of gebreken van een product, meer verkopen dan de koper eigenlijk nodig heeft of dingen verkopen waar de koper niets mee kan, al die praktijken kun je samenvatten in dat ene woord “uitbuiten” in Ezechiël 18:7. Dergelijke praktijken kunnen gemakkelijk binnendringen in organisaties, ook in bonafide organisaties. Alleen als het belang van de klant daadwerkelijk het hoogste commerciële doel is, draagt een organisatie zorg voor die klant. En alleen dan, zegt Ezechiël, kan die organisatie in leven blijven.

Voetnoten

  1. EXODUS 22:25-27 (NBV) 25”Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, 26want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. 27Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken.”
  2. EZECHIËL 18:12-13 (NBV) 12”Wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13vraagt rente vooraf en toeslag achteraf – moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zo veel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen.”