De genade van God

23 Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 24 De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: 25 het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 26 Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’

Marcus 10:23-26

In vers 23-25 gaat Jezus dieper in op de betekenis van zijn ontmoeting met de rijke jongeman. Hij wijst op de moeite die het rijke mensen kost om Gods koninkrijk binnen te gaan. Uit de reactie van de jongeman blijkt hoezeer rijken vastzitten aan hun rijkdom en de bijbehorende status; het is veelzeggend dat de leerlingen verbijsterd zijn door Jezus’ uitspraken over de rijken. Opvallend is dat Jezus zijn leerlingen aanspreekt met “kinderen” wanneer hij zijn beweringen herhaalt (vers 24). Hiermee geeft hij aan dat status hen niet belast. Door hem te volgen worden ze niet gehinderd door rijkdom.

Het oog van de naald (vers 25) heeft waarschijnlijk geen betrekking op een kleine poort in Jeruzalem, zoals vaak wordt aangenomen. Het zou een woordspeling kunnen zijn: in het Griekse is het woord voor kameel (kamelos) bijna gelijk aan het woord voor zware strop (kamilos). Door bewust een absurd beeld te schetsen, benadrukt Jezus dat het voor rijken onmogelijk is om zonder Gods hulp gered te worden. Dit geldt overigens ook voor de armen, want als het voor de rijken al niet haalbaar is, “wie kan er dan nog gered worden?” (vers 26). De belofte van Gods hulp is verwoord in vers 27 van hoofdstuk 10 waar Jezus zegt: “Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.” Deze toevoeging zorgt ervoor dat het Schriftgedeelte (en hopelijk ook de lezer) niet vervalt in cynisme.

Petrus grijpt Jezus’ woorden aan om de houding en de geschiedenis van zelfverloochening van de leerlingen te verdedigen. Zij hebben “alles achtergelaten” om Jezus te volgen. Jezus bevestigt dat wie zulke offers brengt een hemelse beloning wacht. Het “alles” dat achtergelaten wordt, heeft betrekking op status. Mogelijk wordt status niet alleen afgemeten aan materiële zaken (“huis of akkers”) maar ook aan immateriële zaken (“broers of zusters, moeder, vader of kinderen”). In vers 31 wordt het verhaal samengevat met een krachtige nadruk op status – “Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.” Tot dit punt kon het verhaal betrekking hebben op liefde voor de dingen an sich of voor de status die ze weerspiegelen. Maar de opmerking over de laatsten en de eersten benadrukt met klem de kwestie van status.

Kort daarna herhaalt Jezus dit in termen die expliciet betrekking hebben op de werkvloer. “Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders slaaf moeten zijn” (vers 43-44). Een slaaf is immers een werknemer zonder status. Zelfs aan zijn eigen vermogen om te werken kan hij geen status ontlenen. Jezus’ leerlingen hebben de status van een kind of slaaf – geen enkele dus. Zelfs als we aan de top staan moeten we onze positie en autoriteit beschouwen als van God, niet van onszelf. We zijn simpelweg slaven van God, die hem vertegenwoordigen zonder de status op te eisen die hem alleen toebehoort.

‘Deze blog is afkomstig van de website www.theologyofwork.org. Ze is door het associate lectoraat Christelijke Professie vertaald en vervolgens gepopulariseerd door studenten Theologie van de CHE.’