Belastingen en de keizer

13 Ze stuurden enkele Farizeeën en Herodianen naar hem toe om hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. 14 Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’ 15 Maar omdat hij hun huichelarij doorzag, antwoordde hij: ‘Waarom stelt u me op de proef? Laat me eens een geldstuk zien.’ 16 Ze gaven hem een munt en hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. 17 Toen zei Jezus tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ En ze waren met stomheid geslagen. Marcus 12:13-17.

Interessant aan het beschreven voorval is dat Jezus in feite een strikvraag krijgt voorgelegd. Als hij de Romeinse belastingheffing goedkeurt, zal hij zijn volgelingen ontstemmen. Verwerpt hij de belastingheffing, dan zal hij worden beschuldigd van verraad. Aangezien deze gebeurtenis onder specifieke omstandigheden plaatsvond, moeten we voorzichtig zijn met de toepassing van deze passage op hedendaagse situaties die hiervan afwijken.

Jezus’ reactie op de strikvraag draait om de begrippen beeld en eigendom. Terwijl hij de denarie (een Romeins muntstuk dat een dagloon vertegenwoordigde) bekijkt, vraagt hij wiens beeld (of “icoon”) er op de munt te zien is. Zijn wedervraag is waarschijnlijk een doelbewuste verwijzing naar Genesis 1:26-271 (de mens geschapen naar het evenbeeld van God) om zo een contrast te creëren: muntstukken dragen de beeltenis van de keizer, maar mensen dragen het beeld van God. Dus geef de keizer wat van hem is (geld), maar geef God wat Hem toebehoort (ons leven). De essentie, namelijk dat mensen het imago Dei (beeld van God) dragen, blijft onuitgesproken maar wordt wel gesuggereerd door de parallel die Jezus trekt in zijn argumentatie.

Door op deze manier te redeneren maakt Jezus de belastingkwestie ondergeschikt aan het hogere beroep dat God op ons leven doet. Hiermee verklaart hij belasting echter niet als iets onrechtmatigs, zelfs niet als deze geheven wordt door de potentieel gevaarlijke Romeinse overheerser. Hij ontkent evenmin dat geld toebehoort aan God. Als het geld aan de keizer toebehoort, behoort het ook toe aan God omdat de keizer onder Gods gezag valt. Dit Schriftgedeelte laat zien dat werk en religie niet losstaan van elkaar. Voor God bestaat er geen scheiding tussen profaan en geestelijk. Je kunt dus niet pretenderen dat je Christus volgt en tegelijkertijd doen alsof je werk hem niet interesseert. Jezus geeft je geen vrijbrief om op je werk te doen wat jou goeddunkt, maar hij geeft je vrede over zaken die je zelf niet in de hand hebt. Je kunt zelf bepalen of je eerlijk bent in je werk, dus bedrieg niemand. Je kunt niet zelf bepalen of je belasting moet betalen, dus betaal als het moet.

‘Deze blog is afkomstig van de website www.theologyofwork.org. Ze is door het associate lectoraat Christelijke Professie vertaald en vervolgens gepopulariseerd door studenten Theologie van de CHE.’

Voetnoten

  1. GENESIS 1:26-27 (NBV) 26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ 27 God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.