Welvaart delen

In 2 Korintiërs 8 moedigt Paulus de gemeente aan om de collecte voor de gemeente in Jeruzalem te voltooien. Paulus herinnert de Korintiërs vervolgens aan het principe dat ten grondslag ligt aan de collecte: “Op dit moment lenigt u met uw overvloed de nood van de heiligen in Jeruzalem, zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen. Zo is er evenwicht” 2 Kor. 8:14. Wat kunnen wij hiervan leren?

13 Het is niet de bedoeling dat u door anderen te helpen zelf in moeilijkheden raakt. Er moet evenwicht zijn. 14 Op dit moment lenigt u met uw overvloed de nood van de heiligen in Jeruzalem, zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen. Zo is er evenwicht, 15 zoals ook geschreven staat: ‘Hij die meer had, had niet te veel; hij die minder had, had niet te weinig’ (Ex. 16:11-181)2 Korintiërs 8: 13-15

Paulus spreekt van balans, of evenwicht. In de natuurlijke wereld en de samenleving leidt evenwicht tot stabiliteit en gezondheid. In deze situatie betekent het dat de ontvanger van de financiële steun voordeel geniet omdat de gift ernstige tekorten voorkomt of opheft. En de gever geniet voordeel omdat de gift voorkomt dat er een onbeheersbaar overschot ontstaat.  Op een ander moment kan de ontvanger veranderen in de gever. De gelovigen in Jeruzalem leden gebrek en de gemeente van Korinthe kende een zekere mate van welvaart. Er kon een tijd komen waarin de rollen werden omgedraaid. Dan zou de hulp de andere kant op gaan: “zodat zij later met hun overvloed uw nood kunnen lenigen” 2 Kor. 8:14.

Het principe dat de rijken hun welvaart moeten delen met de armen om “balans” te creëren, tart de moderne denkbeelden over zelfredzaamheid. Maar de Bijbelse gedachte is dat 100 procent van onze inkomsten en welvaart God toebehoort, en wij er slechts rentmeester over zijn. God zou dus wel eens van ons kunnen vragen dit te delen met anderen, in die mate dat hetgeen we voor eigen gebruik houden in balans is met hetgeen dat we aan hen geven. Ondertussen moeten we voorzichtig zijn om dit niet simplistisch toe te passen op ons sociale stelsel. Onder christenen is het politieke debat hierover ingewikkeld geworden: het verzandt vaak in discussies over socialisme en kapitalisme. Hierbij gaat het om de vraag of de staat het recht – of de plicht – heeft inkomensgelijkheid af te dwingen door geld van de rijken te vorderen en het aan de armen te geven. Dit is een andere kwestie dan de situatie die Paulus bespreekt. Het is niet Paulus’ intentie een bepaald sociaal systeem te creëren. Het enige wat hij wil, is mensen vragen of ze bereid zijn hun geld in dienst van God te stellen. Het gaat om een groep gemeenten die hun leden vragen vrijwillig geld te geven aan een andere kerk, ten bate van de armlastigen. Paulus zegt niets over de staat in dit verband. Hij stelt geven ook niet als plicht: “Ik zeg dit niet als een bevel” 2 Kor. 8:8 2. Deelname aan de collecte hoort te gebeuren “zonder tegenzin of dwang” 2 Kor. 9:7 3.

Er kan geen twijfel bestaan over de dringende noodzaak van de bereidheid om in ons bestedingspatroon rekening te houden met de behoeften van anderen. Tegelijk mag deze tekst ons aanmoedigen om niet alleen genereus te geven aan de armen maar ook te werken aan effectieve oplossingen voor armoede. Christenen moeten in de voorhoede te zitten als het gaat om de ontwikkeling van middelen voor armoedebestrijding. Wat zijn daarvoor de beste manieren: doneren, investeren, een combinatie van beide of iets heel anders? Wat is hierin de rol van kerken, het bedrijfsleven, de overheid en non-profit organisaties? Welke zaken moeten worden ontwikkeld of hervormd op het gebied van wetgeving, infrastructuur, onderwijs, cultuur, persoonlijke verantwoordelijkheid en rentmeesterschap? Paulus’ krachtige pleidooi laat zien dat mensen die overvloed hebben niet zelfgenoegzaam kunnen zijn als zoveel andere wereldburgers in extreme armoede leven.

Voetnoten

  1. EXODES 16:11-18 (NBV) 11 De HEER zei tegen Mozes: 12 ‘Ik heb gehoord hoe de Israëlieten zich beklagen. Zeg tegen hen: “Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat ik, de HEER, jullie God ben.”’ 13 Diezelfde avond kwamen er grote zwermen kwartels aangevlogen, die in het kamp neerstreken, en de volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. 14 Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. 15 ‘Wat is dat?’vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mozes zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de HEER u te eten geeft. 16 De HEER heeft bepaald dat ieder ervan kan verzamelen wat hij nodig heeft. Iedereen mag er één omer van nemen voor elke persoon die bij hem in de tent woont.’ 17 De Israëlieten deden dat. De een verzamelde veel, de ander weinig. 18 Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel had genomen als hij nodig had.
  2. 2 KORINTHIËRS 8:8 (NBV) 8 Ik zeg dit niet als een bevel; door op de inzet van anderen te wijzen wil ik nagaan of uw liefde oprecht is.
  3. 2 KORINTHIËRS 9:7 (NBV) 7 Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft.