Werken in geloof, standvastig en in het licht van de eeuwigheid

Werken in geloof

Een interessant begin in deze brief waar Paulus in herinnering roept: “Hoeveel uw geloof tot stand brengt (…)” (1 Tess 1:3)1. Zeker wanneer je denkt aan de problemen die hij verder in de brief aan de Tessalonicenzen behandelt.

Paulus is een nauwgezet schrijver en het kan dan ook geen toeval zijn dat hij met deze opening woorden en beelden oproept die bij actie, bij werk horen. Dit vers maakt ons duidelijk dat geloof meer is dan een mentale instemming met het aanbod van het evangelie. Geloven is met je hele leven antwoorden op de geboden en beloften van God, die ons vernieuwt en kracht geeft door zijn Geest. De Tessalonicenzen brengen dit in hun dagelijkse leven in praktijk, ook al kunnen ze best wat bemoediging gebruiken om dat pure leven-uit-geloof vol te houden (1 Tess 4:1-8) 2.

Het thema werk dient zich meteen in hoofdstuk 2 opnieuw aan, als Paulus zijn lezers herinnert aan het feit dat hij en zijn metgezellen dag en nacht hebben gewerkt, zodat ze niemand tot last zouden zijn (1 Tess 2:9).3 Naast een uiting van liefde zijn deze zinnen ook een subtiele terechtwijzing van diegenen in de gemeente die teren op de vrijgevigheid van hun medegelovigen.

 

Standvastig geloof

In de eerste verzen van de tweede brief aan de Tessalonicenzen lezen we nogmaals dat Paulus blij en dankbaar is, omdat de gemeente vasthoudt aan het geloof, ook als de omstandigheden tegen zitten. Paulus bemoedigt hen door te benadrukken dat Jezus zal terugkomen om alles recht te zetten. Sommigen uit de gemeente zijn bang dat de dag van Jezus’ wederkomst al geweest is en dat zij de boot gemist hebben. Paulus schrijft dat ze zich daarover geen zorgen moeten maken en dat Jezus pas terugkomt als de Satan een laatste grote streek geleverd heeft, door de ‘wetteloze mens’ ten tonele te voeren, mogelijk een verwijzing naar wat ook wel de ‘antichrist’ wordt genoemd. De Tessalonicenzen mogen moed houden: God zelf zal Satan en zijn handlangers oordelen en wat meer is: Hij zal redding brengen aan “de geliefden van de Heer” (2 Tess 2:13) 4.

 

In het licht van de eeuwigheid

Paulus schrijft troostende woorden aan de Tessalonicenzen over de gemeenteleden die zijn overleden. Ze zijn niet dood, ze slapen alleen maar, totdat Jezus hen komt wekken op de jongste dag. De Tessalonicenzen hoeven zich geen zorgen te maken wanneer dit zal zijn, schrijft Paulus; dit is in Gods hand. Eigenlijk hoeven ze maar één ding te doen: leven in het licht, hoopvol en gelovig te midden van een duistere wereld (1 Tess 5:4-8)5. Dat betekent onder meer dat de Tessalonicenzen in de passage die volgt (1 Tess 5:12-13) 6 worden opgeroepen om de mensen te respecteren die zich dagelijks voor hen inzetten. Het gaat hier in eerste instantie om de leiders van de gemeente, maar Paulus’ aanwijzingen slaan in feite op allen die de handen uit de mouwen steken. Daarnaast zijn ze een terechtwijzing voor hen die hun dagelijks werk verwaarlozen. Het perspectief van het eeuwige leven is een reden om je extra (niet minder!) in te zetten in de wereld. Het goede dat we doen heeft namelijk eeuwigheidswaarde. “U leeft niet in de duisternis (…), want u bent allen kinderen van het licht”. Iedere dag biedt mogelijkheden om te streven zoals in 1 Tess 5:15 staat: “naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander”.

Voetnoten

  1. 1 Tessalonicenzen 1:3

    en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer.

  2. 1 Tessalonicenzen 4:1-8

    1Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. 2U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. 3Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt:dat u zich onthoudt van ontucht, 4dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen 5en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. 6Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. 7God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. 8Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft.

  3. 1 Tessalonicenzen 2:9

    herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd.

  4. 2 Tessalonicenzen 2:13

    Maar voor u, broeders en zusters, geliefden van de Heer, moeten wij God altijd danken. Hij heeft u als eersten uitgekozen om te worden gered door de Geest die heilig maakt en door het geloof in de waarheid.

  5. 1 Tessalonicenzen 5:4-8

    4Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, 5want u bent allen kinderen van het licht en van de dag. Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis, 6dus laten we niet slapen, zoals anderen, maar waken en op onze hoede zijn. 7Wie slaapt, slaapt ’s nachts, en wie zich bedrinkt, is ’s nachts dronken; 8maar laten wij, die toebehoren aan de dag, op onze hoede zijn, omgord met het harnas van geloof en liefde, en getooid met de helm van de hoop op redding.”

  6. 1 Tessalonicenzen 5:12-13

    12Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. 13U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar.