Vrienden in lagere kringen

Hoe gaan we om met verschillen in positie en status? Paulus’ woorden in 1 Korintiërs 1:18-31 1 kunnen ons hierbij helpen.

Paulus herinnert de gemeenteleden in Korinthe eraan dat de meesten van hen niet uit hogere klassen kwamen. “Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren” (1 Korintiërs 1:26). 2 Maar de effectiviteit van de kerk was niet afhankelijk van mensen met connecties, een hoge opleiding of veel geld.

Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. (1 Korintiërs 1:27-29) 3

Sinds de tijd van Paulus hebben veel christenen machtige posities, rijkdom en status bereikt. Paulus’ woorden herinneren ons eraan dat we God beledigen als we ons hierdoor arrogant, respectloos of grof gedragen jegens mensen met een lagere maatschappelijke status. Omdat de ene mens van nature niet meer waard is dan de ander, kunnen we mensen nooit behandelen alsof ze onbelangrijk zijn.

Nog steeds zijn er organisaties en bedrijven waarop mensen met hogere functies speciale voorrechten genieten die geen relatie hebben met de inhoud van hun werk. Afgezien van verschillen in salariëring, reizen zij meestal eersteklas, hebben ze luxueuzere werkkamers, aparte eetruimtes, een extra bonus, gereserveerde parkeerplaatsen, een auto met chauffeur of andere voordelen. Vaak wordt hen extra eer betoond in de manier waarop ze worden aangesproken; met ‘meneer’, ‘mevrouw’ of ‘professor’, terwijl anderen in de organisatie met hun voornaam worden aangesproken. Soms is zo’n speciale behandeling gepast vanwege de aard van het werk en de taken van de organisatie. In andere gevallen creëren zulke voorrechten ongerechtvaardigde verschillen in menselijke waarde en waardigheid.

Het punt dat Paulus maakt, is dat er onder het volk van God geen plaats is voor dergelijk onderscheid. Als dit op ons werk gebeurt – ongeacht of we er voor- of nadeel van ondervinden – kunnen we onszelf afvragen of het te rijmen is met de menselijke gelijkwaardigheid in de ogen van God en, als dat niet zo is, wat we zouden kunnen doen om de situatie te verbeteren.

Voetnoten

  1. 18 De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. 19 Er staat namelijk geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’ 20 Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? 21 Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. 22 De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. 24 Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, 25 want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen. 26 Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. 27 Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; 28 wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. 29 Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. 30 Door hem bent u één met Christus Jezus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door hem worden wij verlost, 31 opdat het zal zijn zoals geschreven staat: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen.’
  2. 26 Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. 
  3. 27 Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; 28 wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. 29 Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.