Onderdrukking van arbeiders

De woorden van Jakobus aan het begin van hoofdstuk 5 zijn even slikken: “En nu iets voor u, rijken! Weeklaag en jammer om de rampspoed die over u komt. Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten. Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt. Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen. U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd, u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd.” Jakobus 5:1-5

Terwijl het goud in hun kluizen en de gewaden in hun kasten nog glanzen als altijd, is Jakobus zo zeker van hun komende oordeel dat hij kan spreken alsof hun rijkdom al aan het vergaan is: “Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten.” (vers 2-3). De genotzucht van de rijken heeft alleen geresulteerd in dat ze zich “vetmesten voor de slachttijd.” (vers 5). De slachttijd lijkt een verwijzing naar de dag waarop God degenen oordeelt die Hij geroepen heeft om voor Zijn volk te zorgen en hen te leiden, maar die in plaats daarvan op hen aasden Zach. 11: 4-71.
Nu is rijkdom op zichzelf geen zonde, dus waarom worden deze rijken zo streng terecht gewezen?

Deze rijke mensen zijn veroordeeld vanwege de manier waarop zij hun rijkdom verwierven, en vanwege hoe ze met hun geld omgingen. Jakobus echoot het Oude Testament als hij de rijken hekelt voor hun onrechtvaardige handelspraktijken: “Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen.” (Jak 5:4; vgl Lev 19:132. De felheid van deze tekst komen we herhaaldelijk in het Oude Testament tegen. Als het gaat om onderdrukking van armen, is God duidelijk. Hij komt op voor degenen zonder macht.

Jakobus’ woorden zijn een beschuldiging van machtsmisbruik aan de kant van deze rijke landeigenaren. Geld dat in handen van de arbeiders zou moeten zijn, ligt in plaats daarvan in de schatkamers van de landeigenaren. En daar blijft het – de rijkdom wordt opgehoopt en de armen worden genegeerd. De arbeiders hadden recht op loon, maar de machtigen vonden een uitweg zodat ze niet hoefden te betalen, zonder daarvoor straf op te lopen van het juridische systeem. De rijken en machtigen hebben vaak middelen om de rechterlijke macht te ondermijnen en het is verbazingwekkend eenvoudig om oneerlijke macht uit te oefenen zonder dat men het doorheeft. Machtsmisbruik bestaat vandaag de dag bijvoorbeeld uit dwangarbeid, slechte arbeidsomstandigheden in lagelonenlanden of het profiteren van oneerlijk verkregen diensten en producten. Machtsmisbruik is ook werknemers ten onrechte classificeren als onafhankelijke aannemers, werknemers onjuist onderbrengen in een lager vaardigheidsniveau of vrouwen en minderheden minder betalen dan anderen voor hetzelfde werk. Machtsmisbruik kan nooit gerechtvaardigd worden onder het mom van: “zo doen we dat hier nu eenmaal”.

Jakobus veroordeelt ook mensen die “op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd” hebben (vers 5). De vraag wat nu precies leven in luxe en plezier inhoudt, is complex, maar het confronteert veel christenen op één of andere manier. Jakobus’ belangrijkste zorg in deze passage is het welzijn van de armen, hierdoor zou de meest relevante vraag kunnen zijn: “Verbetert of verslechtert mijn levensstijl het leven van arme mensen? Draagt de manier waarop ik met geld omga bij aan het verlossen van de armen of houdt het ze juist arm?”

Voetnoten

  1. Zach. 11: 4-7 (NBV) 4 Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5 Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6 Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen – spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ 7 Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde. Ik nam twee stokken – de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid – en daarmee weidde ik het vee.
  2. Leviticus 19:13 (NBV)
    13 Beroof niemand en pers een ander niet af. Betaal een dagloner zijn loon nog op dezelfde dag uit.