Johannes de Doper over werkmoraal

Een groot deel van het Lukas-evangelie bestaat uit onderwijs van Jezus. De eerste toespraak in dit Bijbelboek is echter niet van Jezus maar van Johannes de Doper. Hij kondigde de komst van Gods Koninkrijk aan en riep op tot bekering. Deze toespraak in Lukas 3:7-141 gaat over werk.

Johannes vermaant zijn toehoorders: “Breng vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn” (Lukas 3:8). Zijn toehoorders vragen vervolgens drie keer gericht wat ze dan moeten doen. Als antwoord geeft Johannes geen ‘religieuze’ adviezen, maar economische.
Eerst zegt hij tegen hen die genoeg hebben (twee stel onderkleren en voldoende voedsel) dat ze moeten delen met hen die niets hebben. Vervolgens geeft hij directe werkinstructies aan de tollenaars, de belastingophalers van die tijd. Zij moeten alleen de bedragen innen waarvoor ze zijn aangesteld en hier geen willekeurige marge op zetten om zichzelf te verrijken. Het derde advies geeft hij aan de soldaten: zij mogen hun macht niet misbruiken om mensen af te persen, en evenmin mogen ze zich laten omkopen. ‘Wees tevreden met je soldij’, zegt Johannes (Lukas 3:14).

Wanneer Johannes tegen de tollenaars zegt dat ze niet méér belasting mogen vorderen dan is afgesproken, is dat nogal radicaal. Hij spreekt hier tegen een beroepsgroep die het toonbeeld was van systematisch onrecht. De belastingen in het toenmalige Israël werden geïnd via een soort exploitatiesysteem. Heersers en andere hooggeplaatsten verhuurden het recht om de belastingen te innen aan wie zij wilden2. Om dat recht te verwerven en te behouden moest je als potentiële belastingophaler bereid zijn om naast de standaard belasting voor Rome een extra opslag te innen voor je opdrachtgever. En datzelfde deed je dan ook maar om je eigen inkomsten wat op te schroeven. Omdat niemand precies wist welke belasting Rome had vastgesteld, wist ook niemand hoeveel er aan de strijkstok bleef hangen bij zijn superieuren, en hoeveel de tollenaar in eigen zak stak. Het systeem was ondoorzichtig en er zat niets anders op dan te betalen. Voor een tollenaar was het bijzonder lastig om de verleiding van zelfverrijking te weerstaan. Bovendien was het zo goed als onmogelijk om zo’n baantje te bemachtigen zonder mee te werken aan het systeem.

Het is opmerkelijk dat Johannes de tollenaars niet adviseert om ander werk te zoeken. Voor de ‘soldaten’ is het net zo. Deze soldaten behoorden waarschijnlijk niet tot de gedisciplineerde Romeinse eenheden, maar tot de troepen van Herodes, die regeerde over Galilea. Herodes’ mannen gebruikten hun macht om mensen te intimideren en af te persen en om er zelf een graantje van mee te pikken. Johannes zegt tegen deze werknemers dat ze recht moeten brengen in een systeem dat structureel onrechtvaardig is, niet dat zij zich volledig moeten terugtrekken uit dat systeem. We moeten niet onderschatten hoe ingewikkeld dat is, deel uitmaken van Gods koninkrijk, terwijl je leeft en werkt onder het regime van aardse machthebbers. Christenen die leven in landen waar corruptie heerst kunnen hierover meepraten. Ook in onze eigen situatie kunnen we hiermee geconfronteerd worden. Toch is dit de essentie van deze christelijke visie op werk: Met beide benen op grond maar met de visie van Johannes als doorslaggevend voor ons gedrag.

Voetnoten

  1. LUKAS 3:7-14 (NBV)
    7 Johannes zei tegen de mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen: “Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? 8 Breng vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn, en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 9 Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.”
    10 De mensen vroegen hem: “Wat moeten we dan doen?” 11 Hij antwoordde: “Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.” 12 Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: “Meester, wat moeten wij doen?” 13 Hij zei tegen hen: “Vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen.” 14 Ook soldaten kwamen hem vragen: “En wij, wat moeten wij doen?” Tegen hen zei hij: “Jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij.”
  2. John Nolland, Luke 1-9:20 (Dallas: Word Books, 1989), 150, “Tax collectors had to work in a social context whose very structures were defined by graft and corruption. The honest tax collector would face problems akin to those faced today by a businessman seeking to operate without graft in relation to the bureaucracies of certain countries.” Robert H. Stein, Luke (Nashville: Broadman, 1992), 134, “The soldiers probably were not Romans but Jews whom Herod Antipas employed (cf. Josephus, Antiquities 18.5.1 [18.113]) perhaps to assist tax collectors in their duties. Soldiers were…not required to resign [by Jesus] but to avoid the sins of their professions, i.e., violent intimidation (‘extort’), robbing by false accusation, and dissatisfaction with wages (or perhaps ‘rations’).”