God roept de stoffelijke wereld tot leven

Voor veel christenen die vooral werken met ‘stoffelijke’, materiële zaken, lijkt het of hun werk er voor God minder toe doet dan werk waarin mensen of religie centraal staat. Een preek waarin een pluim wordt gegeven voor goede werken gebruikt hoogstwaarschijnlijk eerder een voorbeeld van een zendeling of een maatschappelijk werker dan van een mijnwerker, een automonteur of een chemicus. Maar is hier sprake van een Bijbelse onderbouwing?

Gods werk

In Genesis 1 vinden we een nadruk op de stoffelijkheid van de aarde. “De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water”. De ontluikende schepping, hoewel nog “vormloos”, heeft de stoffelijke dimensies van ruimte en materie, en God is volledig betrokken bij het tot stand brengen van deze stoffelijke zaken (“Gods geest zweefde over het water”). Verderop in hoofdstuk 2 zien we zelfs dat God het stof van Zijn schepping aan het bewerken is. “Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen”. Door de eerste twee hoofdstukken heen zien we God bezig met de fysieke aspecten van zijn schepping.

‘Ruah’

Elke theologie over arbeid zou kunnen beginnen met een scheppingstheologie. Zien wij de stoffelijke wereld, de zaken waar we mee werken, als hoogwaardig en duurzaam voor God? Of doen we het af als een tijdelijk werkterrein, een proeftuin, een zinkend schip waar vandaan we moeten ontsnappen naar Gods waarachtige verblijfplaats in een geestelijke “hemel”? Genesis gaat in tegen de bewering dat de stoffelijke wereld voor God minder belangrijk is dan de geestelijke wereld. Preciezer gezegd, in Genesis vinden we geen scherp afgebakend onderscheid tussen stoffelijk en geestelijk. Gods ‘ruah’ in Genesis 1:2 betekent zowel “adem” en ”wind” als “geest”, en met “de hemel en de aarde” (Gen.1:1; 2:1) 1 worden geen twee verschillende rijken bedoeld; deze zinsnede is een Hebreeuwse stijlfiguur dat hetzelfde als “universum” betekent.

Zijn koninkrijk

Waar de Bijbel begint, daar eindigt zij ook: op aarde. In Openbaring zien we geen toekomstbeeld waarin de mensheid de aarde verlaat om zich bij God in de hemel te voegen. In plaats daarvan roept God de heilige stad tot leven: “de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan” (21:2). Vers 3: “Gods woonplaats is onder de mensen, Hij zal bij hen wonen”. God perfectioneert Zijn Koninkrijk op aarde. Dit is de reden dat Jezus in Matheus 6:10 de discipelen leerde bidden met de woorden “laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel”. Tussen Genesis 2 en Openbaring 21 is de aarde stuk gegaan, gebroken, uit de hand gelopen en vol met mensen en krachten die tegen Gods bedoelingen ingaan. Niet alles in deze wereld gaat volgens Gods plan. Maar het is en blijft Gods schepping. De schepping die Hij “goed” noemt.

Terug naar de vraag of het werken met stoffelijke zaken minder belangrijk is dan het werken met mensen. Daargelaten dat werken met mensen per definitie al werken met stoffelijke zaken is, is het verstandig te bedenken dat God aan mensen beide taken gaf: werken met mensen (Gen. 2:18)2 en werken met stoffelijke zaken (Gen 2:15) 3. Het lijkt erop dat God de schepping werkelijk zeer serieus neemt.

 

De tekst van deze blog is ontleend aan de website www.theologyofwork.org en is bewerkt door Caroline Oosterwijk, student aan de academie Theologie van de Christelijke Hogeschool Ede (CHE). Door het plaatsen van deze en vergelijkbare blogs wil het associate lectoraat Christelijke Professie van de CHE nagaan of er in Nederland behoefte is aan dergelijke theologische bijdragen rondom ‘theologie van werk’.

Deze blog is een vertaling en bewerking van “God Brings the Material World into Being

Voetnoten

  1. In het begin schiep God de hemel en de aarde.  Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid, op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
  2. God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.
  3. God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken.